Menu

Afbeelding

Katoen

Katoen is een zaadvezel: de katoenvezel is het binnenste van de vrucht van de katoenstruik (Gossipium Herbaceum).
Men is er zeker van dat katoen al zo’n 4000 jaar wordt gesponnen en geweven: de oudste vindplaatsen zijn India en Peru.
Gossipium Herbaceum is een éénjarige struik die in de loop der eeuwen steeds verder veredeld is geworden in functie van de massaproductie.
De katoenboom (Gossipium Arboreum) bestaat echter ook, hoewel die niet gecultiveerd wordt.
Vandaag de dag is de meest geteelde soort voor de katoenproductie de Gossipium Hirsutum.
Katoen groeit in tropische en subtropische gebieden maar ook in de gematigde streken.

Even voorstellen: de gangbare katoenteelt
De gangbare katoenteelt is gekend om zijn intensieve aanwending van pesticides en zware chemicaliën.
Men schat dat op wereldschaal 20% van alle landbouwchemicaliën gebruikt worden om katoen te telen.
Tussen het zaaien van de plant en het oogsten, zit er ruim 4,5 maanden.
In sommige landen wordt katoen 40x per seizoen (dit is om de 4 dagen) besproeid.
Als de pluisbollen rijp zijn om geplukt te worden, besproeit men de planten nog eens om ze te ontbladeren (met Agent Orange, het giftige ontbladeringsmiddel dat gebruikt werd tijdens de Vietnam-oorlog), zodat het katoen machinaal geplukt kan worden.
In de gangbare katoenteelt berusten de boeren voor 100% op chemische controle, door volgens de kalender op tijd en stond te sproeien. De natuurlijke controleurs, nl. insekten die de schadelijke insekten voor de katoenplant verdelgen en op een afstand houden, worden hierdoor helaas ook gedood.
Bovendien moet men na enkele jaren de dosissen van de pesticides steeds weer opvoeren, of nieuwe chemische formules gaan toepassen, want de insekten worden vlug resistent tegen de giften.

Katoen
Door het aanwenden van steeds zwaardere chemicaliën, die de grond uitputten, is er een toenemend gebruik van kunstmatige meststoffen nodig.
Het gebruik van van chemische meststoffen heeft dan weer tot gevolg dat de oogst nog aantrekkelijker wordt voor insekten, dank zij de ‘gespierde’ planten met sappige bladeren van een hoger eiwitgehalte. De voedingstoffen die de kunstmest bevat zijn voor de plant gemakkelijk en vlug opneembaar, zodat de cellen sneller aangemaakt worden (de plant groeit dus sneller), maar de celstructuur wordt verzwakt.
Dit veroorzaakt dan weer meer stress bij de plant en minder weerbaarheid tegen het binnendringen van schadelijke organismen.
Een ander gevolg van het gebruik van kunstmest is dat de biologische activiteit van de grond niet meer gestimuleerd wordt: veel micro-organismen die nodig zijn voor het mineralisatieproces van de grond zijn overbodig geworden en dus uitgeschakeld, zodat schimmels en andere parasieten hun kans krijgen. Men gaat hier dan tegenaan met herbicides!
Tenslotte worden de kosten veel te hoog (al die chemicaliën moeten immers ook worden aangekocht) en is de katoenproductie verlieslatend geworden, vooral voor de honderdduizenden kleine boeren die wereldwijd van de katoenteelt moeten leven.
De grond is zwaar vervuild door de vernietigende giften en uitgeput door de monocultuur: het natuurlijk evenwicht is totaal verstoord.
In veel streken van intensieve katoenteelt lijden veel mensen omwille van het voortdurend in aanraking komen met de zware chemicaliën zowel in de lucht als in het drinkwater, aan chronische ziekten en worden kinderen geboren met erfelijke afwijkingen.

De biologische katoenteelt

Het biologisch telen van katoen staat mijlenver af van de gangbare teelt.
Er worden geen kunstmatige meststoffen, pesticides noch herbicides gebruikt.
Schadelijke insekten worden bestreden met andere voor katoen onschadelijke insekten zoals gaasvliegen en onzelieveheersbeestjes.
Ook het kiezen van een geschikt zaaimoment voorkomt plagen.
Indien men de insektenpopulatie niet op een redelijk peil kan houden, besproeit men b.v. met aftreksels van plaatselijk voorkomende kruiden en planten.
Men gaat uitputting van de grond tegen door toepassing van wisselbouw: er worden regelmatig granen en peulvruchten verbouwd op de katoenvelden.
Het plukken van het katoen gebeurt handmatig. De rest van de plant kan worden gebruikt als biologisch veevoeder.
De bedrijven-initiatiefnemers van deze biokatoen-projecten garanderen de afname van het biologisch geteelde katoen en treden ook op als adviseurs ter plekke voor het organisch telen en verwerken.
Veelal zijn de boeren zelf participant in het project, dit is economisch interessant voor hen en het is de beste garantie dat zij de biologische richtlijnen zullen respecteren.
De kostprijs van biologisch geteelde katoen ligt hoger dan die van het gangbare katoen.
Duurzame landbouw kost immers meer, alleen al wegens de kleinschaligheid. Daar bovenop komen er de kosten voor de research, de begeleiding van de boeren, de omschakelingskosten en de kosten voor de certificaten (zie ‘ Certificering’ ).

De verwerking en afwerking van het katoen
In de gangbare textielsector zitten er tussen het ruwe katoen en bij manier van spreken, ons T-shirt, nog tal van chemische stappen die zwaar milieubelastend zijn.
Chloor wordt gebruikt om het katoen te bleken.
De verfstoffen en fixeermiddelen om katoen te kleuren zijn enorm milieubelastend; optische witmakers worden aangewend…
Om stoffen krimp- en kreukvrij te maken behandelt men ze met synthetische kunstharsen die o.a.formaldehyde bevatten.
Stoffen van biologisch geteelde katoen daarentegen worden mechanisch voorgekrompen en gewassen met zeep (i.p.v. synthetische detergenten).
Indien het katoen moet gebleekt worden gebeurt dit met waterstofperoxide (zuurstofwater).
In het algemeen geldt dat alle verfprocessen milieubelastend zijn.
Kledij gemaakt van biologisch geteelde katoen is dus het meest milieuvriendelijk in haar ongebleekte staat.
Toch is er de laatste jaren met succes hard gezocht naar en flink geïnvesteerd in de toepassing milieuvriendelijke vervingsprocessen. Hierbij telt vooral het minderen in gebruik van zware metalen (broom, kobalt, koper, nikkel, enz.) maar ook het minderen van het watergebruik (verfbaden worden bijna volledig uitgeput).
Sommige katoen wordt plantaardig geverfd, maar ook plantaardige verfstoffen hebben fixeermiddelen nodig, bovendien is er voor de teelt van de verfplanten heel veel landbouwgrond nodig.

Katoen in het dagelijkse leven
Katoen kent tal van toepassingen omwille van zijn vele voordelen en goede eigenschappen :

kan tot 20% vocht opnemen zonder nat aan te voelen (cfr.ondergoed, sokken, dweils…)
is sterk en heeft een goede weerstand tegen wrijving en slijtage (voor kledij, maar ook voor onderhoudslinnen en reinigingsweefsels)
laat vocht en lucht door (ademende functie, net als onze huid)
kan gesteriliseerd worden (voor ziekenhuizen, heeft een droge warmteweerstand tot 200°C)
is onoplosbaar in alcohol, ether, chloroform (voor ziekenhuizen)
is reuk- en smaakloos
is relatief goedkoop
is gewoon lekker om dragen